Panorama zaandam by Tilemahos Efthimiadis

Lies Grim­ber­gen

Van onze redac­tie, Ruud Meijns

grimbergen0

Lies is de dochter van de laat­ste smid die Zaan­dam kende; H. M. Grim­ber­gen, Prins Hen­drikkade 5. Smid Grim­ber­gen stopte met zijn smed­erij toen hij door een slechte gezond­heid zijn werk niet langer kon uitoe­fe­nen. Dochter Lies heeft goede herin­ner­in­gen aan de Prins Hen­drikkade waar ze tot haar twintig­ste heeft gewoond.

grimbergen1De Smed­erij
De smed­erij op de kade stond naast de aar­dap­pel­han­del van Van Klif­fen die later naar de Ach­ter­dam ver­huisde. In het pand van de smed­erij kwam daarna het autobedrijf van Venz dat later naar de Wil­helmi­nas­traat ver­huisde. Wat er nu in zit weet ze niet. Het pand is wel veran­derd want later is het dak eraf gehaald. In het pand van Van Klif­fen kwam een chemisch bedri­jfje ‘PeMu’., lev­ens­gevaar­lijk von­den ze dat thuis.

Prins Hen­drikkade; smed­erij is het huis met puntdak

Haar vader is in 1915 in Zaan­dam komen wonen, samen met zijn zuster die als huishoud­ster fungeerde. Ze kwa­men uit Rijns­burg waar de groot­vader van Lies een smed­erij had. Opa Grim­ber­gen had twee zonen die bei­den als smid opgeleid waren. Omdat er maar voor één werk was vertrok haar vader naar Zaan­dam om voor zichzelf te begin­nen. In 1916 trouwde hij met Hen­drika Lam­bertha Bolte die uit Scha­gen afkom­stig was.

grimbergen2Haar vader kocht het pand op de Prins Hen­drikkade en boven de smed­erij hing een bord met ‘H. M. Grim­ber­gen – Hoef-​, Kachel– en Grof­smed­erij’. Er kwa­men veel paar­den langs om besla­gen te wor­den, hij was een goede hoef­s­mid. Hij had het vak ten eerste bij zijn vader geleerd, maar in mil­i­taire dienst had hij zijn ervar­ing opgedaan als hoef­s­mid voor de cav­a­lerie. De heer Zwart, een sulkyri­jder, liet zijn paar­den bij hem beslaan.

Toen Lies in de ver­pleg­ing werkte kwam zij de vrouw van deze meneer Zwart tegen. Ze had nog een hoef hangen die haar vader had gemaakt; ze heeft hem gekre­gen en hangt nog steeds in haar won­ing. Maar er waren er meer uit de wed­stri­jd­sport die hun paar­den bij hem brachten. Haar vader heeft heel lang zelf hoeven gemaakt en voor elk van de paar­den had hij aparte hoeven. ‘Vierkant beslaan’, d.w.z. vier hoeven beslaan en dat kostte 11 gulden.

Voor de oor­log kwam de melk­boer, de groen­te­boer, de vod­den­boer, die alle­maal met een paard voor de wagen liepen, bij hem langs. In de win­ter kwa­men ze langs om de hoeven ‘op scherp’ te zetten zoals dat heette, tegen het weg­gli­j­den. Hij besloeg de paar­den bij voorkeur buiten op straat, voor de smed­erij; tegen het schrikken. Hij voedde zijn kinderen daar ook in op. Als ze hun fiet­sen in de smed­erij pak­ten moesten ze altijd even een gelu­idje maken zodat de paar­den niet schrokken.

Tij­dens de oor­log, geen auto’s en ben­zine meer, wer­den steeds meer paar­den gebruikt voor ver­voer en zo kreeg hij klanten als Heineken en Verkade. Hij maakte stalen rin­gen voor om de kar­ren­wie­len. En hij ver­vaardigde van kachelpi­jpen van die kleine kachelt­jes die ze ‘vuur­du­velt­jes’ noemden.

Na de oor­log wer­den de paar­den min­der gebruikt. Haar vader deed ook kachels, maar na de oor­log werd ook dat alle­maal min­der want er kwa­men veel meer haar­den. Kachels had­den pijpen nodig voor de rookafvoer en haar­den had­den dat niet. Als goed katholiek kreeg hij opdrachten uit die hoek. Zo mocht hij om het jaar de kachels van de scholen en van de kerk ‘zetten’ zoals dat heette.

In de Kat­te­gat­ter­d­warsstraat, over de sloot, was de stal van Jan Hooft. Hooft was een NSB’er en die had die stal ver­hu­urd aan de Duit­sers. Het paar­den­volk waren Oost­en­rijk­ers en op een gegeven moment werd de smed­erij bezet en kwa­men zij zelf hun paar­den beslaan. Gelukkig maar dat ze het zelf deden anders had hij als col­lab­o­ra­teur uit­ge­maakt kun­nen wor­den. Die Oost­en­rijk­ers lieten wel kolen achter en daar­van gebruikte hij af en toe wat bij zijn werk.

grimbergen3Elis­a­beth Adri­ana Grim­ber­gen
Elis­a­beth Adri­ana Grim­ber­gen is geboren 11 maart 1927. Haar moeder was 40 bij haar geboorte en ze was de jong­ste van 4 kinderen. Ze had twee zussen en 1 broer: Anthon, Fil­ip­ina en Antoinette, zij waren 10, 8 en 5 jaar oud toen Lies werd geboren.

Toen het gezin, van­wege de gezond­heid van haar vader, de zaak en het huis moesten verkopen vond ze het vre­selijk om te moeten ver­huizen naar de Oost­z­i­jde; ze kende veel heimwee. De fam­i­lie Grim­ber­gen woonde boven de smed­erij in een kamer nog met bed­st­e­den, een hele grote keuken en een heel groot plat dak. En met een trapje had­den ze nog een verdieping boven het huis van de buren, Van Klif­fen, met 2 slaap­kamers en nog een zolder.

Het huis in de Oost­z­i­jde, hoek Peper­straat, het huis van dok­ter Van Berkestijn, hebben ze niet gekocht want het was al duidelijk dat de Beat­rixbrug zou komen; men trof een andere regeling. De fam­i­lie Grim­ber­gen gebruikte de bene­den­verdieping en boven woon­den de dames Gras, van de houthandel die oor­spronke­lijk op de Zuid­dijk woonden.

grimbergen4Thuis waren ze katholiek en kerk­ten in de kerk in de Oost­z­i­jde; de Bone­fatiuskerk. Haar vader was daar col­lec­tant. Lies is op de katholieke kleuter­school geweest, bij de non­nen. Die stond naast de achterkant van de kerk op de Bloem­gracht. Voor school gin­gen ze eerst om acht uur naar de kerk en na afloop kon je je eten ope­ten in de eet­zaal op het school­plein bij zuster Rosa.

Vader en moeder Grim­ber­gen achter het huis Oost­z­i­jde.

Er werd ook aan­teken­ing van bijge­houden of je naar de kerk was geweest. Als je heel veel gek­erkt had kreeg je een mis­saal en anders een ‘gewoon’ kerk­boek. Haar vader ging al om zes uur naar de kerk. Dat je niet mocht eten dat hoorde er bij, ze heeft er nooit last van gehad en ook nooit over nagedacht.

Lies heeft zich al heel vroeg bezig gehouden met de vernieuwing bin­nen de katholieke kerk. Vernieuwing die verder ging dan het Vat­i­caans con­cilie. Het ging meer om zaken die je anders uit kon leggen, en zo meer inzicht kon kri­j­gen in de materie. De huidige biss­chop­pen proberen dat weer in het gareel te kri­j­gen, terug naar de oude tij­den. In haar eigen parochie, Kogerveld, heeft een groot gedeelte zich afgeschei­den en is zelf­s­tandig verder gegaan, jammer.

Na de lagere school ging ze naar de ULO-​school aan de Bloem­gracht. Die drie jaar vie­len pre­cies in de oor­logstijd en ler­aren moesten onder­duiken, er was geen ver­warm­ing, dus eigen­lijk heeft ze maar half les gehad. Ze deed geen ein­dex­a­men, maar ging werken bij Bischoff in de West­z­i­jde waar ook haar broer en zus al werk­ten. Dat had ze al snel gezien want er was niets te doen, ze stond maar af te wachten achter de paktafel.

grimbergen5Ze was in die tijd ook lei­d­ster van de Graal; een vrouwen­v­erenig­ing van de katholieke kerk. Die bijeenkom­sten von­den plaats in een oud Zaans huis naast de meis­jess­chool. In dat huis zat aan de voor– en de achterkant een schouw met tegelt­jes van spe­lende kinderen en de ander met Bij­belse tafer­e­len. Toen dat pand ges­loopt werd, naar ze hoorde, zijn die twee schouwen kapot geslagen.

Met een groep lei­d­sters in 1950 op kamp.

Via een ken­nis kon ze bij het postkan­toor aan de slag. Pas achteraf leerde ze dat ze aangenomen was in de plaats van jon­gens die naar Duit­s­land moesten. Na de Post heeft ze een jaar bij aan­nemer Bakker van de Prins Hen­drikkade gew­erkt. En weer via een ken­nis kreeg ze het aan­bod om bij Fris make­laardij te komen werken. Dat heeft ze zes jaar gedaan.

In die tijd kreeg ze het idee om in de ver­pleg­ing te gaan, dat kon nog zon­der een diploma van de ULO. Daar­voor moest ze voor drie jaar intern, in de Maria Sticht­ing in Haar­lem. Ze begon in de A-​opleiding waarin je alles leert wat je nodig hebt om in een zieken­huis te kun­nen werken; anatomie, fysio, psy­cholo­gie van alles een beetje. Alle han­delin­gen die je moet leren wer­den in een aan­teken­ing­boekje bijge­houden en als je de the­o­rie kende moest je het ook meteen doen. Bij de eerste keer dat ze een injec­tie moest geven was ze, op weg naar de patiënt, alle vloeistof uit de injec­tiespuit ver­loren; van de zenuwen.

grimbergen10Bij elke over­gang naar een nieuw jaar moest je exa­men doen, mon­del­ing en schriftelijk. De prak­tijk werd bijge­houden in het boekje. Bijvoor­beeld het verbinden van een oog, voor alle han­delin­gen is er een eerste keer. Je mocht meek­ijken in de polik­lin­iek en in het derde jaar keek je ook mee in een oper­atiezaal; niets doen alleen kijken wat er gebeurt. In het derde jaar mocht je ook infusen wisselen.

Mari­as­ticht­ing Haarlem

Ze liepen dan ook met de dok­toren mee op de ron­des. Toen ze op een zondagocht­end, de non­nen zaten in de kerk, een arts assis­teerde bij een patiënt, heeft ze behoor­lijk op haar kop gehad, dat mocht ze nog niet. Dok­toren waren toen nog goden gelijk. Als de chirurg om tien uur zijn ronde kwam doen, moest de zaal er pico bello uitzien, alsof die man­nen dat alle­maal zagen. Als ze hart-​tonen wilden luis­teren en er was nog iemand bezig op zaal, kreeg die de wind van voren. Zelfs in de eet­zaal had je nog een strenge schei­d­ing. Direc­tie, de gediplomeer­den, derde-​, dan tweede– en dan eerste jaars ver­pleg­ing. Als je ges­laagd was mocht je een tafel opschuiven. De art­sen zaten daar niet bij.

In die tijd wer­den gebruikte ver­ban­den nog gewassen en de ver­pleeg­sters kre­gen in de nacht­di­enst de taak die weer op te rollen of de gewassen gaas­jes op te vouwen. De broed­ers van de man­nenafdel­ing moesten, je gelooft het bijna niet, de grote injec­tien­aalden sli­jpen, zo zuinig was het in die dagen.

Maar er waren natu­urlijk de dagelijkse zaken als patiën­ten wassen, op de po zetten, de vuile was uit­spoe­len. Dat gebeurde in de kelder, in de wasafdel­ing van het zieken­huis. Kon je nog eens even een praatje maken met collega’s. Met die collega’s woonde ze samen in de villa’s van oud-​doktoren op het ter­rein. Met z’n twinti­gen deelden ze een huis en ze sliepen met z’n drieën op een kamer. Lies heeft daar goede herin­ner­in­gen aan, het was gezel­lig en ze heeft nog met enke­len contact.

Als de exa­m­en­pe­ri­ode naderde begon je al met sol­liciteren, Lies zocht naar een func­tie in de kraam­zorg. Ze kon bij de Mari­as­ticht­ing komen, maar door de fam­i­lieom­standighe­den, koos ze ervoor om in het Sint Jan in Zaan­dam te gaan werken. Haar moeder was slecht uit de oor­log gekomen, ze was de helft van haar gewicht ver­loren, had dia­betes, hart­prob­le­men en longem­fy­seem. Een griepepi­demie in het zieken­huis werd haar fataal. Na het over­li­j­den van haar moeder werd haar vader door haar zuster in Bev­er­wijk in huis genomen. Lies zelf bleef intern in het zieken­huis nu de won­ing aan de Oost­z­i­jde werd verlaten.

O.L.V. — Ams­ter­dam
grimbergen9Na dat half jaar in het Sint Jan kon ze in Ams­ter­dam bij het Onze Lieve Vrouwe Zieken­huis komen voor haar kraa­maan­teken­ing, dit duurde negen maan­den en drie maan­den vooraf en ook weer intern. In deze oplei­d­ing kreeg je ook weer alle the­o­rielessen en daaraan vast de prak­tijk. Aanstaande moed­ers die in het zieken­huis wer­den opgenomen kwa­men daar omdat er iets aan de hand was.

Onze Lieve Vrouwe zieken­huis Amsterdam

Je moest zor­gen voor de moed­ers, voor de baby’s. Je assis­teerde bij de bevalling en als er bloedin­gen waren. Je leerde de moed­ers de omgang met de baby’s. Hoe ze sluit­lak­ens moesten aan­doen, hoe een baby aan­gelegd moest wor­den aan de borst, het wassen van het kind wat voor som­mige moed­ers nog onbek­end was. Het maakte natu­urlijk wel uit of het een eerste kind was of het tweede of derde. Wij mochten nooit voe­len of er ontsluit­ing was. Dat was weer voor­be­houden aan de arts of de verloskundige.

In Wormerveer had ik, als hoofd van de afdel­ing wel con­tact met de ver­loskundi­gen. Als de bevalling begon moest de ver­loskundige of de huis­arts wel opgeroepen worden.

grimbergen6We had­den natu­urlijk, bij bezoek, kon­takt met de fam­i­lies, maar wij mochten nooit inlichtin­gen geven. Dan moest je ze ver­wi­jzen naar de arts en we hebben ons daar meestal wel goed aan gehouden. In het alge­meen was ons geleerd om niet over de patiën­ten te praten, ook niet onder­ling met de collega’s, geen geroddel.

Enschede
Tij­dens de kraamo­plei­d­ing heb ik al gesol­lici­teerd naar de kindero­plei­d­ing, er waren maar vijf katholieke zieken­huizen in Ned­er­land die dat had­den. Het is Enschede gewor­den en daar ben ik voor het eerst niet intern, maar op kamers in de Haaks­ber­gen­straat gaan wonen.

grimbergen12Het zieken­huis had een jon­gen­szaal, een meis­jeszaal, kleuterzalen. Als ze buiten het zieken­huis het niet meer wis­ten wer­den ze naar ons toeges­tu­urd. Er was ook een aparte afdel­ing voor kinderen met een besmet­telijke ziekte. Maze­len, dan moet alles ontru­imd wor­den, hersen­vliesontstek­ing, besmet­telijke lon­gontstek­ing. Er was een zaal met tien boxen voor deze kinderen. Dat was een ges­loten afdeling.

Daar moest je goed zicht op houden want de meeste kinderen zaten vast, maar dan draaiden ze zich weer in aller­lei bochten. En soms als je even niet keek had­den ze zich in hun ont­last­ing rond gedraaid. Bezoek mocht alleen in spe­ciale kled­ing naar bin­nen of voor het raam zwaaien. Dat was moeil­ijk voor de kinderen. Het was soms een hels kabaal van geschreeuw.

Voor mij hoorde deze oplei­d­ing er bij, dat maakte het com­pleet. Later, na de wijko­plei­d­ing had ik ook nog psy­chi­a­trie erbij willen doen, maar dat heb ik niet gedaan. De kinder­aan­teken­ing duurde twee jaar. Dan ver­dien je al het salaris van een gediplomeerde. Na haar oplei­d­ing van twee jaar had ze even genoeg van zo’n groot zieken­huis met al z’n hiërarchie.

Wormerveer
Hoe ze aan de adver­ten­tie kwam weet ze niet meer, maar ze sol­lici­teerde naar het zieken­huisje van Wormerveer. Het was een klein zieken­huisje en daar leerde ik de dok­toren ken­nen, assis­teerde bij oper­aties, de huis­art­sen kwa­men assis­teren. Het was heel gemoedelijk, het was je en jij en je hoorde bij de onder­linge gesprek­jes. Daar heb ik ook ken­nis gemaakt met Dr. Immink, dat was een grootheid in Zaan­dam, maar ik heb nooit zo’n aardige opa meegemaakt.

Lies werd hoofd van de kraa­mafdel­ing met acht bed­den. Daar­naast waren er nog 4 bed­den voor de psy­chi­a­trie. Er was een oper­atiekamer, in eigen beheer, en de chirur­gen van buiten kwa­men daar oper­eren. Men vroeg haar om bij de oper­atie te instru­menteren hoewel ze dat nooit had gedaan, maar dat zouden ze haar wel leren. Men opereerde eigen­lijk niet groter dan een galblaas-​operatie. Toch heeft ze nog samen met art­sen een keiz­er­snee gedaan; nood breekt wet. Heel prim­i­tief, maar zeer avon­tu­urlijk en als ze dat nu vertelt dan gelooft men niet dat dat toen nog zo kon gebeuren.

grimbergen7Boven was de ver­losafdel­ing en daar deden de huis­art­sen en ver­loskundi­gen hun werk. Toen waren het nog de ver­loskundi­gen die de meeste geboortes deden. In die tijd waren er nog geen echo’s en wist je pas bij de geboorte wat het resul­taat van de zwanger­schap was.

Lies woonde nog steeds op kamers, want een eigen huis zat er voor alleen­staan­den toen nog niet in. Ze had een kamer op de Berken­laan in Wormerveer, maar wilde nu wel eens zelf­s­tandig wonen. Daarop schreef ze een brief aan de gemeente Wormerveer dat als ze geen huis kreeg ze zou vertrekken. Maar het zieken­huis in Wormerveer had geen toekomst meer en daarom koos ze voor een oplei­d­ing wijkverpleging.

Lies had al gesol­lici­teerd bij de school voor maatschap­pelijk werk in Ams­ter­dam, de oplei­d­ing voor wijkver­pleg­ing, toen ze plot­sel­ing een flat aange­bo­den kreeg. Ze besloot toen toch de oplei­d­ing te gaan doen en bleef op kamers. De keuze voor de wijk was omdat ze niet in een groot zieken­huis wilde werken, dus moest je gaan specialiseren.

Wijkver­pleg­ing
Ze begon aan de oplei­d­ing voor wijkver­pleg­ing aan de school voor maatschap­pelijk werk Amstel­horn in Ams­ter­dam. De oplei­d­ing duurde een jaar en je ver­di­ende niets. Je kon een sub­si­die aan­vra­gen van vijf­duizend gulden die, als je in de wijkver­pleg­ing ging werken, in vijf jaar werd afgeschreven. En ze kreeg nog een pen­sioen uit Den Haag. In de oplei­d­ing krijg je anatomie, prak­tijk, economie, psy­chi­a­trie, je loopt stages o.a. in een kinderte­huis en met de wijkver­pleeg­ster in Bev­er­wijk. Van elke stage maakte je een verslag.

Maar voor ze kon begin­nen brak ze tij­dens een ski­vakantie haar elle­boog, gelukkig had ik me verzek­erd. Ik woonde bij mijn zus in Zaan­dam maar mijn zus uit Bev­er­wijk belde of ik bij haar wilde komen want m’n vader begon te dementeren. In die peri­ode is hij overleden.

grimbergen13Bij de sol­lic­i­tatie bij het Wit – Gele Kruis kwam ze dhr. Biss­choff weer tegen die in het bestuur zat. Die kende mij nog want o.a. mijn zus en broer en ikzelf had­den bij hem gew­erkt. Iedere over­tuig­ing had nog z’n eigen organ­isatie en de katholieken had­den het ‘Wit Gele Kruis’. Voor alle andere Chris­te­nen was er het Oranje Groene kruis en het Witte Kruis voor de niet-​gelovigen. Het Rijk heeft uitein­delijk de stap genomen om alles in 1 organ­isatie samen te bren­gen met het onthouden van sub­si­die als stok achter de deur.

Als vri­jgezel kreeg je geen huis. Maar zelfs voor een kamer moest je een ver­gun­ning kri­j­gen van de gemeente en je kreeg die ver­gun­ning niet zomaar. Toen is ze naar wethouder Eshuis (katholiek) gestapt, maar die wees haar, zeer bru­usk, het gat van de deur.

Bij een paar­denslager op de Hogendijk kon ze een zit-​, slaap– en keukenkamer kri­j­gen. Daar heeft ze een jaar gewoond en door bemid­del­ing van Mar­cus Bakker, de CPN-​politicus, heeft ze tenslotte toch een 2-​kamer won­ing aan de Wibaut­straat gekre­gen. Ze was toen 42 jaar en dat was haar eerste huis. Later, toen ze wat meer ver­di­ende is ze naar de Conifer­en­straat verhuisd.

En zo begon ze in 1963 aan haar loop­baan in de wijkver­pleg­ing. In de jaren zes­tig veran­derde er veel, er kwa­men andere opvat­tin­gen over heel veel din­gen, de ver­houd­ing tot patiënt, ver­houd­ing t.o.v. de art­sen; er kwam meer gelijkwaardigheid.

De Wijk in
En toen op de brom­mer of de fiets de wijk in, later ging ze, vooral in de win­ter, met de auto. We waren met z’n drieën en ieder had z’n eigen wijk. Ik deed Poe­len­burg, dat net op kwam, tot de Gedempte Gracht, alleen katholieke inwon­ers natu­urlijk. De aan­vra­gen kwa­men via het bureau in de Tuin­straat, achter de Bullek­erk of via de huis­arts. Je kreeg alle gevallen die bin­nen je wijk vie­len en daar moest je zelf mee aan de gang.

Ze deed meestal eerst een rondje suik­er­patiën­ten, dan een rondje kousen en dan de ern­stige zieken. In het begin kwa­men we niet ’s avonds en ’s nachts met het gevolg dat mensen al snel naar het zieken­huis gin­gen. Later is er toch een avond­di­enst gekomen. In die tijd kwam er al een samen­werk­ing tussen het Sint Jan– en het Gemeen­tezieken­huis die later in een fusie is opgegaan.

Als je lang bij een patiënt of een fam­i­lie betrokken bent, mocht je, ook al had je geen directe zorg meer, wel even langs gaan om te kijken hoe het ging of als ze opgenomen waren even een bezoekje afleggen. Je kri­jgt een lang­durige relatie met som­mige patiën­ten. Ik heb jaren­lang een jon­gen ver­pleegd die bij het zwem­men ver­keerd terecht kwam en een dwarslae­sie kreeg.

Afgelopen week kreeg ik nog een tele­foon­tje van een oud patiënt die ik al der­tig jaar ken; die had Mul­ti­ple scle­rose (MS). Hij was zelf heel tech­nisch, had een auto waarin hij niets meer met z’n benen hoefde te doen. Het gaat nog steeds goed met hem, gaat naar het buitenland.

grimbergen11We deden ook afwis­se­lend een dienst in het week­end. Een keer in de 14 dagen het con­sul­tatiebu­reau voor kleuters tot 4 jaar, samen met een arts. Je luis­terde goed mee omdat je daarna nog wel eens een bezoekje bij die mensen kon bren­gen voor nazorg bij prob­leemkinderen. Je kon, als de prob­le­men bleven, doorver­wi­jzen naar het M.O.B. (Medisch Opvoed­kundig Bureau). Bij de kraam­zorg kwam je, als het nodig was, na tien dagen want dan was er nog een kraamver­pleeg­ster. En later kwam de P.K.U.-prik, de hiel­prik bij babies en dat moest je meteen al doen en dan zag je ook de kraamver­pleeg­ster. Voor echte prob­leemgezin­nen heb je eigen­lijk geen tijd en we hebben daar ook geen echte oplei­d­ing voor gehad. Je moest dan door ver­wi­jzen, net als de arts. De Gezin­szorg was een aparte afdel­ing die samen met het maatschap­pelijk werk, wel katholiek, in een won­ing op de Bloem­gracht zat. Nog geen grote pan­den, dat kwam later.

Soms kwam je weleens met de tijd in de knoop als er een cri­sis was. Dan moet je veel rege­len, deed ze eerst het noodza­ke­lijke en vertelde dan dat ik later op de dag weer even terug kwam. Met ver­wi­jzin­gen ging het ook niet altijd soe­pel. Ze is, zeg maar, uit­gescholden door een huis­arts omdat ze een advies gaf. Dan gaf je een omschri­jv­ing van wat je zag en werd hij boos, je mocht geen diag­nose stellen. Hij zei nog dat hij dat niet had gezien omdat hij kleuren­blind was, nou ja!

Mijn eerste eigen con­sul­tatiebu­reau zat bij de Boen­der­maker, waar je door een poort onder de huizen kon door­ri­j­den had­den we een kelder en in Poe­len­burg had­den we een ruimte. Later zaten we in de Spar­restraat met het Wit– Gele Kruis.

Wat haar nog steeds ver­baast is hoe die kleine organ­isaties uit­groei­den tot grote logge bureau­cratieën. In die tijd kwa­men er steeds meer man­agers die zich overal mee bemoei­den en weinig ver­stand van de prak­tijk had­den. De samen­voeg­ing van alle ver­schil­lende kruisv­erenigin­gen ging heel rom­melig, het ging van onderaf, maar de hogere machten in de provin­cie waren nog apart. Ook de besturen beston­den nog apart. Daar heb ik ook tegen geprotes­teerd want aan wie moet je dan advies vragen?

Het bleef maar door­gaan want later kreeg je de fusie van de hele Zaanstreek, ook heel verve­lend. En daarna kwam de over­head; je kreeg voor iedere wijk hoofd­wijkver­pleeg­sters die uni­ver­si­tair geschoold waren. Die kwa­men op kan­toor te zit­ten en kre­gen een sec­reta­resse. Dan kwam er een directeur, ook weer met een sec­reta­resse. Toen we daar wat tegen in opstand kwa­men werd let­ter­lijk gezegd dat, “de ges­tudeer­den moeten ook banen hebben”.

En steeds weer nieuwe pan­den. Het hoofd­kan­toor kwam in de Bris­tol­rood­straat, later weer een kan­toor in Wormerveer en toen de dis­tricten weer samen gin­gen ver­huis­den ze naar Purmerend. En uitein­delijk werd de hele wijkver­pleg­ing voor een deel opge­heven. Wie in de prob­le­men kwam moest naar een ver­pleeghuis. Na mijn tijd is het weer een beetje terug gedraaid en werkt men nu vanuit een wijkteam.

grimbergen8Vanaf haar zes­tig­ste jaar is ze met vervroegd pen­sioen gegaan. Dat was ook het moment om naar een andere won­ing om te zien. In die tijd was de keuze niet zo groot omdat veel bewon­ers van het Vis­ser­shop een ver­van­gende won­ing moesten kri­j­gen. Er was een flat, met lift in het Kalf. Maar ja, het Kalf, daar had ze nooit over nagedacht maar toen ze de flat zag was ze verkocht en ze woont er nog steeds tot haar grote genoegen.

En als de tijd komt dat het fysiek niet meer kan dan is een ver­zorg­ing­shuis, zoals vroeger, niet meer mogelijk. Ze heeft 6 jaar in de cliën­ten­raad van Groen­land gezeten en ze heeft gezien hoe het langzaam, door bezuinigin­gen, richt­ing ver­pleeghuis is gegaan. In de tijd dat de eerste ver­zorg­cen­tra wer­den gebouwd was er grote won­ing­nood en mensen gin­gen soms al met 65 jaar in het ver­zorg­ing­shuis. Dat ont­lastte de won­ing­markt. Nu wordt alles weer terug geschroefd. Gelukkig komt alles in gol­ven dus miss­chien keert het nog ten goede.

Gelukkig heeft ze altijd veel con­tact gehouden met een aan­tal collega’s van toen. Maar met de ver­pleg­ing van nu heeft ze ik geen con­tact, je kent er nie­mand meer.

Foto’s: Gemeente Archief Zaanstad

Joomla tem­plates by a4joomla