Panorama zaandam by Tilemahos Efthimiadis

In een eerder onder­zoek naar een eeuw losse have­nar­beid, met name in Ams­ter­dam, stuitte ik vanzelf­sprek­end op Het Kap­pie en ‚de kap­pies’, zoals de collega’s van de SHB hen noemden.(2) Dat inspireerde tot meer onder­zoek, maar behalve over de genoemde peri­ode, bleek weinig rel­e­vant schriftelijk mate­ri­aal beschik­baar te zijn.(3) Inter­views en lit­er­atuur maak­ten me wel wat wijzer, ook over andere losse ploe­gen in de Zaanstreek, maar ik merkte dat bijna nie­mand het naadje van de kous lijkt te weten. Bijvoor­beeld over de ontstaans­geschiede­nis: vanaf wan­neer en waarom ontstond er een organ­isatievorm? Kenden de ver­schil­lende ploe­gen een onder­linge afbak­en­ing? Was er een reden voor dat alleen Het Kap­pie in de Ams­ter­damse haven werkte? Hoe waren de ver­houdin­gen met de ‚vaste’ arbei­ders? Elk snip­pertje antwo­ord op deze vra­gen is zeer welkom. Lezer en lez­eres zijn hier­bij graag uitgen­odigd; dat geldt ook voor andere infor­matie over Het Kap­pie. Maar daaraan vooraf is het nut­tig iets te weten over de voorgeschiede­nis van de haven­pool en de komst van Het Kappie.
Kappie1Foto: Anon­ieme Ams­ter­damse have­nar­bei­der, geen ‚kap­pie’, wel met een bescher­mende kap — foto: Chris Pen­narts 1998.
Reg­u­ler­ing
De inscha­kel­ing door de SHB van Het Kap­pie is in die zin opmerke­lijk dat de haven­pool zijn bestaan ontleent aan een door de geza­men­lijke havenon­derne­mers gevormd monop­o­lie. Tot mei 1945 was dat de Have­nar­bei­d­sre­serve. Deze func­tion­eerde als een buffer van duizen­den arbei­ders die met var­iërende aan­tallen aange­spro­ken kon wor­den, afgestemd op de schom­me­lende goed­er­e­naan­voer die onder invloed stond van weer­som­standighe­den, seizoe­nen en con­junc­tuur. Dit monop­o­lie bracht een cen­trale orden­ing in de chao­tis­che aan­ne­m­ing van werk­zoek­ende, losse have­nar­bei­ders. Die geschiedde tra­di­tion­eel in kroe­gen, bij bedri­jf­spoorten en op straathoeken, vol gedrang, willekeur, onvoor­spel­bare wacht­ti­j­den en con­cur­ren­tie. In sit­u­aties van een urgente vraag kwa­men daar nog de ron­se­laars bij die werk­lozen van de straat pluk­ten tot in dor­pen en ste­den boven het IJ aan toe. Lossen, opslaan en laden van goed­eren zou, was de aan­name, vooral een kwestie van ver­vang­bare spierkracht zijn. Dat bijvoor­beeld zorgvuldigheid, con­cen­tratie, mate­ri­aalken­nis, vaardighe­den, krachtverdel­ing en samen­werk­ing tot de impli­ci­ete bagage van een bootwerker beho­or­den, bleef buiten beschouwing. Het ver­loop was dan ook aanzien­lijk, eve­nals het aan­tal ongevallen.
Bepal­end voor de opricht­ing en het voortbestaan van een reg­ulerend insti­tuut als de vooroor­logse Have­nar­bei­d­sre­serve en de naoor­logse SHB was een erk­end alge­meen belang. De onderne­mers beschik­ten over een reser­voir van ervaren have­nar­bei­ders, de (lokale) over­heid kon reke­nen op een orden­telijke arbei­ds­be­mid­del­ing en de bootwerk­ers tek­enden voor meer werkzek­er­heid. Dat zo’n alge­meen belang onder druk stond en soms brak, ligt voor de hand. Niet alle onderne­mers sloten zich aan, soms trok een grote zich terug. De over­heid achtte zich niet altijd ver­ant­wo­ordelijk voor (finan­ciële) steun bij tijdelijke werk­loosheid. De bootwerk­ers eis­ten een gegaran­deerde arbei­d­splaats en een vast inkomen.
Extra pieken
In dit span­ningsvolle kracht­en­veld mondde de reg­u­latie begin jaren zes­tig uit in de gelijk­stelling van de SHB’ers aan de vaste collega’s in dienst van de (inhurende) havenbedri­jven. Dit betek­ende onder meer door­be­tal­ing als er geen werk was, bijvoor­beeld omdat een boot niet of later aankwam, de oogst in het land van herkomst was ver­traagd, enzovoort. Dat gold ook voor de andere Ned­er­landse havens en was mogelijk door een bij­drage uit het Alge­meen Werk­looshei­ds­fonds. In een opgaande economie met lage werk­loosheid was dat begri­jpelijk, maar even­zeer een kwets­baar ele­ment in dat gemeen­schap­pelijk belang van de drie ‚par­ti­jen’.
Min­stens zo kwets­baar was dat een pool slechts kon bestaan wan­neer de te behan­de­len goed­eren­stroom een zodanige sprei­d­ing in de tijd kende, dat een zekere con­tin­uïteit in de omvang van het arbei­der­s­be­stand gegaran­deerd kon wor­den. Anders gezegd, het hele jaar door waren er peri­odes waarin één of meer vaste bedri­jven aan­vul­lende arbei­d­skracht behoef­den. Dat is de kern van de aan­vul­lende arbei­ds­be­mid­del­ing, aan te duiden als de ‚pool­func­tie’. Een con­stant even­wicht was een illusie, dus een bepaalde mate van ron­se­len bleef, met kop­pel­bazen die zich niets aantrokken van vast­gelegde arbeidsvoorwaarden.
Kappie2
Klam­pen: balen op hoogte bren­gen door ze te stape­len met gebruik van een haak, soms voorzien van twee ‚klauwen’ en een houten handvat.
Graag getoond gereed­schap van menig ‚kap­pie’ — foto: Chris Pen­narts, 1997.
Deze sprei­d­ing van de pieken nam tegen het einde van de jaren zeventig af onder invloed van ontwik­kelin­gen als: min­der (kleine) bedri­jven, interne flex­i­bilis­er­ing van het aan­tal arbei­ders en de arbei­d­sti­j­den in de vaste bedri­jven, spe­cial­isatie en mech­a­nisatie van de have­nar­beid, min­der stuk­goed, meer ‚bulk’ en con­tain­ers en scher­pere vaar– en ligti­j­den. Zo ontston­den extra pieken. Omdat het reg­uliere bestand SHB’ers daaraan niet kon vol­doen, waren er gedurende beperkte peri­o­den arbei­ders van buiten nodig, ‚vreem­den’ in het haven­jar­gon. Naast de inzet van boven­tal­lige arbei­ders van de Rot­ter­damse SHB kwam Het Kap­pie hier­voor in aan­merk­ing, ervaren en geschoold in het karak­ter­istieke havenwerk.
Het einde
Hoe logisch in ter­men van bedri­jfsvo­er­ing dit per­son­eels­beleid van de SHB ook moge zijn, zowel haar monop­o­lie als de wezen­lijke pool­func­tie ging onderuit. Een bedreigende sit­u­atie die de vak­bond­sle­den – de organ­isatiegraad was bijna 80 pro­cent – en de onderne­m­ingsraad uitvo­erig bespraken. In hoev­erre zette de komst van Het Kap­pie de toekomst van hun werkgele­gen­heid op het spel? Een vraag die veel gewicht kreeg, omdat in vergelijk­ing met de SHB’ers de arbei­dsvoor­waar­den van ‚de kap­pies’ ongun­stig waren. Was er voor hen geen werk bij de SHB, dan had­den zij geen recht op een volledig loon. Boven­dien kon een kap­pie voor één taak (dat is vier uur) ingezet wor­den, ter­wijl de SHB’ers ooit had­den bedongen dat een arbei­d­seen­heid per defin­i­tie uit twee taken bestond, ofwel twee dagde­len. Een derde geschilpunt was het sys­teem ‚klaar naar huis’, waarmee Het Kap­pie werkte. Daarover waren de menin­gen onder de SHB’ers verdeeld: een deel ver­foeide het als jaagsys­teem, dat tot ver­hoging van de te ver­w­erken een­heden (balen) lei­dde, een ander deel zwichtte voor de ver­lei­d­ing van ‚snel klaar’ en de mogelijkheid nog een taak mee te pakken of elders een extra inkomen te ver­w­er­ven.
Na enig gebakkelei en recht­streekse gesprekken tussen SHB’ers en Het Kap­pie stelden de vak­bond en de onderne­m­ingsraad de direc­tie de eis: ‚Het Kap­pie is welkom, maar dan wel onder de arbei­dsvoor­waar­den van de SHB.’ Deze eis haalde het maar ten dele – een beperkt aan­tal kap­pies kreeg een tijdelijke aan­vulling op het loon – maar legde toch de basis voor een goede ver­stand­houd­ing tussen de twee groepen arbei­ders. Eén van de geïn­ter­view­den zei daarover: „De onder­linge sfeer was prima, we werk­ten samen. Wij had­den onze vaste ploeg kap­pies en twee van ons kon­den bij een ploeg SHB’ers ingedeeld wor­den, en dat ging goed.„4
Dat bleek ook in de tur­bu­lente peri­ode eind jaren tachtig/​begin jaren negentig. De genoemde fac­toren die de pool­func­tie onder­mi­jn­den, veroorza­ak­ten tevens een ver­hoging van de arbei­d­spro­duc­tiviteit en een ver­lag­ing van de haven­werkgele­gen­heid. De sec­tor als geheel sloeg alarm en onderg­ing een ingri­jpende her­struc­turering, die voor de haven­pool het einde betek­ende van de over­hei­ds­fi­nancier­ing van de tijdelijke werk­loosheid. Rond de eeuwwis­sel­ing ging de één na de andere opvol­ger van de SHB fail­liet. Maar voor die tijd vond een serie acties en stakin­gen plaats om de teloor­gang van de haven­pool te voorkomen. Kap­pies deden daaraan mee en toon­den hun sol­i­dariteit met de collega’s van de SHB en andere havenbedri­jven, hoewel het werk in de Ams­ter­damse haven slechts een deel van hun werkza­amhe­den was. De hoofd­moot lag bij bedri­jven in vooral Zaan­dam. Daar­naast ver­stouw­den ze de balen cacaobo­nen bij Cor­nelder en de bergen kolen bij de OBA (Over­slagbedrijf Ams­ter­dam) met een nog niet ver­geten tevre­den­heid. „We deden het sjouww­erk, maar wat noem je sjouwen. Dat is nou de tac­tiek. In de Zaan deden we het op ons kop, in Ams­ter­dam pakte je met z’n tweeën een baal. Daar gin­gen ze niet met een baal op hun kop lopen: ‚ja ik ben d’er gek’. Wij namen in ons een­tje één baal, dat was gewoon, maar in Ams­ter­dam werk­ten wij ook met een vaste maat. Samen­werk­ing, daar ging het om. En dat gaf vaak ook veel lol.” (5) De nuchter­heid over­heer­ste: „Waar we ook kwa­men, we losten, dat was ons werk. Je hebt overal het min­der leuke werk en dat deden wij. Met een zakje dat beter gevuld was dan dat van anderen. Miss­chien dat mensen ons tweed­erangs von­den, maar aan het einde van de maand was je dat niet.”(6)
Nogal plot­sel­ing was het in 1998 gedaan met Het Kap­pie. Soe­pel lijkt dat niet te zijn ver­lopen, maar ver­halen ver­duis­teren de feiten. De één jaar later ingevo­erde Wet flex­i­biliteit en zek­er­heid biedt geen afdoende verk­lar­ing. Hoe dan ook, van Het Kap­pie stapten ongeveer der­tig man over naar de Koogse Losse Ploeg die inmid­dels in een uitzend­bu­reau is opgegaan.(7)
Vraagstukken
Wat de Ams­ter­damse haven betreft, is er dus een einde gekomen aan een lange peri­ode van reg­u­latie en terug­dring­ing van de losse arbeid. Zoals inmid­dels ook in het alge­meen in Ned­er­land, en niet alleen daar, is een fase doorge­bro­ken van dereg­u­latie van de arbei­dsver­houdin­gen. Denk bijvoor­beeld aan nieuwe vor­men van losse arbeid, zoals zelf­s­tandi­gen zon­der (of met een min­i­mum aan) per­son­eel, op– en weg­duik­ende uitzendbedri­jf­jes en kop­pel­bazen. Of de Zaanse losse ploe­gen en hun tra­di­tie in deze ontwik­kel­ing zijn meegesleurd, is een vraagstuk voor nadere studie. De aanzet is er, ook van een paar andere kwest­ies.
* De vroege en unieke, indus­triële geschiede­nis van de Zaanstreek rustte op een uit­ge­breid, voor een groot deel intern, trans­port­sys­teem, eerst alleen over het water, daarna ook op het spoor. Dat betek­ende een voort­durende ver­plaats­ing van al of niet ver­w­erkte goed­eren (over­slag en opslag). Onregel­matig, met kleine en grotere pieken. Ligt daarin de oor­sprong van de losse ploe­gen en hun lange voortbestaan?
* Eeuwen­lang was de losse arbeid de dom­i­nante arbei­dsver­houd­ing. Meer dan vier eeuwen voor onze jaartelling is een Perzis­che ploeg van drie steen­bakkers met naam en toe­naam let­ter­lijk geboek­staafd: groeps­gewi­jze onder­aan­ne­m­ing met stuk­loon. Ze zijn op te vat­ten als verre voor­vaderen van de fameuze Zaad­sjouw­ers die Cor Bruijn in 1933 tek­ende. Er zijn goede rede­nen om deze ploeg rond 1896 te situeren. Bruijn sprak meerdere malen over ‚het kap­pie’ als kled­ingstuk. Bestond er een ploeg met die naam of miss­chien al eerder?
* Een spec­i­fieke vorm van losse arbeid is de uni­versele trekar­beid. Daarover is veel bek­end: graafw­erk door ‘pold­er­gas­ten’, hooien door Duitse ‘han­neke­maaiers’, dijk­w­erk­ers, seizoe­nar­bei­ders die wegen, kanalen en spoor­we­gen aan­leg­den, enzovoort. Van hen zijn (harde) stakin­gen bek­end, mede hier­door heet­ten ze ‚vage­bon­den’, ‚uit­vaagsel’, ‚vreem­den. Hun zelf­be­herende, interne struc­tuur – een werkverdel­ing via een num­mer­sys­teem, een ploeg­baas die het werk aan­nam op basis van stuk­loon – ver­toont overeenkom­sten met de werk­ing van de losse ploe­gen. Noodged­won­gen vri­jbuiters? „Ja, we voelden ons vrije jon­gens, je bepaalde zelf wan­neer je werkte, je kon een half jaar op vakantie gaan, bijna nie­mand deed het, maar het kon wel. Het Kap­pie was een bewuste keuze, maar om A, B en C de poen en D de vri­jheid. Nu ben ik blij dat ik een vaste baan heb.”(8)
Genoeg te doen dus. Nog­maals, voor infor­matie houd ik me aan­bev­olen: Dit e-​mailadres wordt beveiligd tegen spam­bots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bek­ijken. (020 6431 787).

(1) Eerder ver­sch­enen bij Zaans Erf­goed, num­mer 48, voor­jaar 2014; Verenig­ing Zaans Erf­gooed — http://​www​.zaanser​f​goed​.nl
(2) H. Boot, Opstandig volk. Neer­gang en terug­keer van losse have­nar­beid, Ams­ter­dam 2011; http://​www​.sol​i​dariteit​.nl
(3) T. de Gooi­jer, Cacao langs de Zaan. De molens — De fab­rieken, Alk­maar 2011, pp. 23, 24; J. Kingma, Het Zaans­poor. Een eeuw spoor­weghaven in Wormerveer, Wormerveer Weleer 13, 2009, pp. 1619, met aan­vullin­gen, toege­zon­den 10 jan­u­ari 2009, 10 en 21 jan­u­ari 2013 en 10 sep­tem­ber 2013; R.C.C. Pot­tkamp, Man­nen die het schootsvel dra­gen. Hon­derd jaar Zaan­damse Scheeps– en Bootwerk­ersv­erenig­ing Eens­gezind­heid 18961996, Wormerveer 1996, pp. 2728; A. Selie, J. van der Laan, Hoof­den koel, Han­den in de zakken. De hout­stak­ing van 1929 in Zaan­dam, West­zaan 1988, pp. 5051 en pp. 7882.
(4) Gesprek met N. Grotes (oud-​kappie), 25 april 2013, Westzaan.
(5) Idem.
(6) Gesprek met H. de Graaf (oud-​kappie), 7 juni 2013, Zaandam.
(7) Gesprek met G. Stadt (mede-​eigenaar De Koogse Ploeg), 7 okto­ber 2013, Zaandam.
(8) Zie noot 6.
Sol­i­dariteit Webzine komt, eve­nals de papieren voor­ganger, op voor een stri­jd­bare, democ­ra­tis­che en brede vak­be­weg­ing en is finan­cieel, organ­isatorisch en poli­tiek onafhanke­lijk.
www​.sol​i​dariteit​.nl

Joomla tem­plates by a4joomla