Panorama zaandam by Tilemahos Efthimiadis

Op 8 maart 1605 bekent Pieter Jansz. (van der Ley) schuldig te zijn aan Adri­aen Ger­ritsz. uit Purmerend jaar­lijks rente van fl. 93:15:0 onder hypotheek van een stuk land, groot ongeveer een mad (zoveel land als iemand in een dag maaien kon!) in de Mid­del en “noch ‘t huijs ende erft daer hij tegen­wo­ordigh op en woont mette pampier­moe­len leggende ende staende al ‘t sae­men op te Saendi­jck bij den anderen.”

Op 23 juli 1740 moet “de Gans” van zijn stand­plaats verd­wi­j­nen en vindt er een veil­ing plaats in de uitspan­ning De Witte Swaan te Saandi­jck:
“De gemeene Reed­ers pre­sen­teren Een hegte sterke grauw Pampier Molen genaamt de Gans staande tot Zaandijk. Dese molen moet Jaar­lijx voor papegelt betalen fl. 1:13 (13 stu­iv­ers). Kooper is Pieter Lub­bertsz. Koop­man voor fl. 1450,00.„
Het papegelt betreft het padgeld te betalen aan de Ned­er­lands Her­vor­mde kerk, vroeger de pas­to­rie. De land­goed­eren wer­den genaamd papen­land (naar hun vroegere roomse eigenaren).
Alleen de molen ver­huisde, de resten van de droogschuren en de pakkamer kwa­men op 24 sep­tem­ber 1740 onder de hamer met als voor­waarde dat ze bin­nen een halve maand afge­bro­ken moesten zijn en wegge­haald. Bij de veil­ing werd ook nog de inven­taris ver­meld bestaande uit: 2 schep­kuipen, waar­van een van koper, een roer­pijp met pot, een kap­perij, 3 bakken, ijz­eren sch­enen, persen en een lijmpers.

Een jaar later ver­meldt een opschrift dat:
“… de molen­erv nog eens wordt verkocht, dan blijkt dat dit stuk land recht van vrije over­gang heeft over de brug ‘van T Weefhuijs tegen­over Jan Honig”.
De Witte Gans her­rees aan de Kalver­ringdijk te Zaandam-​Oost en nam de plaats in van de Run­molen De Hen die dateerde uit 1698 en ver­brandde in 1728. Een Run­molen was een molen die met platte ste­nen (zoals in een meel­molen maar met een veel grotere open­ing in het mid­den: het krop­gat) eiken­schors fijn­maalde. Dit gemalen eiken­schors vond zijn weg naar de leer­looiers die de aan­wezige tan­nine in het fijnge­malen schors gebruik­ten om het leer te looien. Pieter Lub­bertsz. Koop­man her­bouwde de Gans als ger­st­pel­molen en ver­wees met zijn nieuwe naam naar zijn verleden als grauw­pa­pier­molen De Grauwe Gans.

3foto2
Pel­molen “De Grauwe Gans” rond 1870 met naam­bord op het lijf en woon­huis erachter, in de verte Haaldersbroek.

3foto3


Zaandam-​Oost, restau­rant De Walvis vanuit de Zaan gezien met vleethuis (opname juni 2018), zelfde locatie als boven­ste foto.


Gerst werd bew­erkt tot volksvoed­sel gort en was zeer geliefd op de grote vaart, want zeer lang houd­baar in droge vorm. De pel­molen “schilde” met zware zand­ste­nen, die omspan­nen waren met scherp blik, het vliesje eraf: het zoge­naamde pellen. Om te voorkomen dat de gort aan de “wan­del” ging werd hij vaak, ter con­server­ing, ook nog met zwavel behan­deld in de schuur van de molen. Hier was een oven op de begane grond die gestookt werd met zwavel, de eest. Via een lange gemet­selde schoorsteen werd de bran­dende zwavel­damp los­ge­laten in een ste­nen bak op de 1e verdieping van de schuur.

3foto4Oven van de eest in het open­lucht­mu­seum te Arn­hem afkom­stig uit de grut­terij van Dillewijn te Wormerveer.

De boven­z­i­jde van de bak was voorzien van een kop­eren plaat met gaat­jes erin, hier werd de gort over­heen geschept. Dat dit voor de pel­mole­naars geen een­voudige klus was laat zich raden. Met zak­doeken voor hun gezicht ston­den ze te mid­den van de dampen te schep­pen om na afloop hoes­tend en proes­tend in de hut van de molen bij te komen van de zwavel­damp.
De molen was eerst alleen in bedrijf voor gerst, later werd er ook rijst gepeld. Hier­toe waren aan­wezig: 2 paar pel­ste­nen, een luierij (voor hijswerk), later ver­van­gen door een schep­perij, 2 harpen (schudzeven), een waaierij (om de doppen van de gerst te schei­den) en een sleperij (transport).

Een van de lat­ere eigenaren was Adri­anus (Arie) de Bruyn, hij was koop­man en peller van “De Grauwe Gans” en olies­lager van “De Zon”. Hij leefde van 1780 tot 1845.
De man had een naam hoog te houden als het op zuinigheid aankwam, hij was zogezegd ‘op de pen­ning’. Tijdgenoten beschreven hem als een man met een gezicht alsof hij het laat­ste oordeel aan het verkondi­gen was. Hij maakte berekenin­gen om van een halve cent een hele te maken.
Als het wind­stil weer was wer­den de pelders van “De Grauwe Gans” ten huize van eige­naar de Bruyn ont­bo­den om te komen schilderen, zo spaarde hij geld uit voor echte huisschilders.

De pelders wilden beslist niet onder­doen voor vakschilders, zij gin­gen zelfs zo ver dat zij de poort­jes in de voor­tuin, de pilasters en ook de raam­posten van het woon­huis voorza­gen van marmer imi­tatie, het zoge­naamde marmeren. Hun uitvo­er­ing was echter dus­danig dat dit een hele nieuwe onbek­ende marm­er­soort bleek op te lev­eren.
Overi­gens stond de Bruyn wel in aanzien in Zaandijk, later is er nog een pad naar hem vernoemd.

Dat er ook andere tij­den aan­braken blijkt uit het vol­gende. De nieuwe eige­naar T. Olie liet op 29 okto­ber 1890 zijn per­son­eel van de wind­pel­molens “De Grauwe Gans” en “De Jonge Wilde­man” opne­men in een verzek­er­ing tegen inva­liditeit en ongelukken. Dit alles bij de Eerste Ned­er­land­sche Verzek­er­ings Maatschap­pij geves­tigd te ‘s-​Hage. Dit was voor die tijd een zeer vooruit­strevende aan­pak met name omdat het wind­molen bedrijf toen al sterk op zijn retour was.

De laat­ste eige­naar was Jan Stu­ur­man die de molen liet slopen tot de hoogte van de ravenswiel­zolder (net boven de stelling), in juli 1914, om er ver­vol­gens aan de zuidz­i­jde een enorm pakhuis naast te bouwen.

3foto5
Zaandam-​Oost, Kalver­ringdijk, de afge­knotte molen­romp met aange­bouwde schuur voor het malen en sorteren van cacaoaf­val.


Een Bron­s­mo­tor ten beho­eve van de fab­riek­saan­dri­jv­ing werd door molen­maker Boeren­dans naast de molen gebouwd om er cacaoaf­val mee te sorteren. Motoren­bouwer en uitvin­der Jan Brons uit het Gron­ingse Wagen­bor­gen was ooit begonnen met het maken van een auto­bus. Hij keek het ontwerp af van de Duitser Rudolf Diesel maar vond zijn tech­niek te duur.

3foto6
Teken­ing voor het bouwen en installeren van de Bron­s­mo­tor door molen­maker Boeren­dans. Coll. Molen­mu­seum Koog aan de Zaan.


3foto66Detail van de tekst op de teken­ing.

Hij ontwierp een dieselpomp met ver­s­tu­iver (inspuit­sys­teem) en zijn vier­tak­t­mo­tor was een groot suc­ces. Nog bek­ender werd hij van de vele scheepsmo­toren die vaak tot op de dag van van­daag hun werk doen. In 1907 bouwde hij na een enorme groei een fab­riek te Appingedam die later ook trac­toren ging pro­duc­eren.

3foto7Rechts: Oudendijk NH, gemaal Beet­skoog met werk­ende Bron­s­mo­tor uit 1910.


Cacao heeft een naam hoog te houden op het gebied van brand en dat lot was ook het restant van De Gans beschoren.
Op een won­der­schone 5 juni 1915 rond twaalf uur gin­gen de werk­ers naar huis nadat ze de hele ocht­end “aan de poes” (cacaoaf­val) had­den ges­taan en om 12.15 uur ging het bran­dalarm af bij de post in Zaan­dam die echter ander­half uur gaans van de Kalver­ringdijk zat. Het toe­val wilde dat de twee spuiten vier dagen van te voren nog een oefen­ing had­den bij De Grauwe Gans.
De spuiten wer­den beide keren met paard en wagen naar de Oost­z­i­jde gebracht en bij een met­selbedrijf op een dekschuit geplaatst.
Ver­vol­gens werd een voor­bi­j­gaande schip­per gevorderd om te slepen. Na een tocht van der­tig minuten gaven er drie spuiten water maar De Gans was al te ver heen, er valt weinig meer te red­den. Inmid­dels zijn de korpsen van Koog en Zaandijk ook met spuiten op dekschuiten komen assisteren.

3foto8

Zaandam-​Oost 5 juni 1915, brand van “De Grauwe Gans”. Op de voor­grond: een dekschuit met hand­spuit erop wordt door De Poel gesleept naar de plek des onheils.

Als het Zaan­dammer korps echter zes stralen geeft moeten Koog en Zaandijk inpakken, het is een brand op Zaan­dams grondge­bied dus moet Zaan­dam het bluswerk afmaken.
Het zeer dras­sige ter­rein bemoeil­ijkt het blussen, een pij­plei­der zakt in de blub­ber en de com­man­dant gli­jdt uit en belandt in de cacao­prut, dat lev­ert hem de opmerk­ing op dat hij veer­tien dagen lang alleen zijn pan­talon hoeft uit te wrin­gen om er choco­lademelk uit te laten komen.
Door het mooie weer zit de Zaan vol met schuit­jes, jollen en boeiers om de ramp­spoed van dicht­bij gade te kun­nen slaan.
Als de duis­ter­nis valt zijn ze alle­maal verd­we­nen en rest er nog een smeu­lende puin­hoop waarin alleen de Bron­s­mo­tor de rav­age blijkt te hebben doorstaan.

3foto9Zaandam-​Oost, schilderij H. Hei­jen­brock van de restanten van “De Grauwe Gans”. Coll. Molen­mu­seum Koog aan de Zaan.


Hij kri­jgt iets noordelijker op de Kalver­ringdijk een nieuw leven en wel voor het aan­dri­jven van het bin­nen­werk van de ont­takelde oliemolen “De Os”, voor dezelfde eige­naar Jan Stu­ur­man, wederom om cacaoaf­val te ver­w­erken.
De afloop van deze brand kri­jgt nog een staartje en wel op het spuit­feest van de brandweer dat elk jaar plaatsvond in de “Waakza­amheid” te Koog aan de Zaan of “De Zwaan “ te Zaandijk.


Dit waren enorme feesten met de bijbe­horende hoeveel­heid mensen en con­sump­ties.

3foto10

Koog aan de Zaan, spuit­feest in de Waakza­amheid 1906. Let op de schalen tabak op de tafels en de grote Goudse pijpen. De bor­rel stond al op de tafel!

Om een idee te geven: het spuit­feest in 1915 bij “De Zwaan” begon op een zater­da­gavond tussen zeven en half acht en duurde tot ‚s ocht­ends vroeg. Er kwam ruim 300 man, die verdeeld wer­den in 30 vakken van 10 man, elk vak geschei­den en van een num­mer voorzien. Mid­den in elk vak stond een bierkan van 5 liter met een num­mer erop. Er werd 25 kg boter ver­bruikt en 2087 brood­jes (fran­sjes), 210 pond vlees en nog een best­vat bier gemengd met witte wijn. Voor het rook­w­erk waren 3000 sigaren aan­wezig! De niet bier­drinkers zaten aan “De Sukke­laattafel”. Een vast onderdeel was het zin­gen van lied­jes over de bran­den van het afgelopen jaar met veel toneel en schetsjes.

3foto11
Koog aan de Zaan, spuitlied Koger Zuider­spuit in De Waakza­amheid 1916.

Die van de brand van “De Grauwe Gans” had vooral betrekking op een pred­i­catie van dom­i­nee Jan Woudt over wat er mis ging bij het blussen (o.a. ont­plof­fende slan­gen door te grote druk). Hij gebruikte dit in zijn kerk­di­enst waar­bij hij “die allen die dit nodig had­den een afs­traf­fende beurt gaf, tot veel genoe­gen“ (van de aan­wezige kerk­gangers).
Dit was weer aan­lei­d­ing voor de toneel­com­missie van de blussers om op het spuit­feest een schets op te voeren met een com­plete kerk­di­enst voorzien van een kansel en col­lectenet­jes.
Het perceel aan de Kalver­ringdijk bleef leeg tot archi­tect Jaap Schip­per zijn oog liet vallen op de lege Zaa­noever om er zijn plan te ver­wezen­lijken een Zaans buurtje op te bouwen zoals het rond 1800 vaak in de streek te vin­den was.
Daar­toe werd gebruik gemaakt van pan­den die uit de hele Zaanstreek wer­den verza­meld omdat ze in de weg ston­den voor nieuw­bouw en his­torisch en bouwtech­nisch van belang waren.
Een daar­van was het weeshuis van West­zaan dat na sloop een aan­tal jaren in opslag lag op het ter­rein van de scheep­swerf Beudeker te Zaandijk. Daar moest het verd­wi­j­nen door ruimtege­brek op de werf. In juli 1964 werd de fun­der­ing klaarge­maakt voor het weeshuis op de plek waar eens “De Grauwe Gans” had ges­taan. Bij de aan­leg hier­van stuitte men op fun­der­ingsresten van de molen. Het her­bouwde weeshuis kreeg de bestem­ming horeca en werd genoemd “De Hoop op d’ Swarte Walvis” mede naar de aan de Zaanz­i­jde aange­bouwde replica van een vleethuis.
Het orig­inele vleethuis was een pakhuis voor het opslaan van gereed­schap­pen ten beho­eve van de walvis­vangst en stond achter de Hoogstraat te Koog aan de Zaan.
Men oordeelde dat dit te slecht was om over te plaat­sen en bouwde een replica. Inmid­dels staan er twee ver­sies, de orig­inele is toch voorzichtig gede­mon­teerd en later her­bouwd aan het einde van de Kalver­ringdijk op nr. 40 bij de jachtwerf van de firma Claasens.
Op de plek waar eens een pel­molen eeuwen­lang volksvoed­sel pro­duceerde wordt nu in een zeer goed uit­geruste keuken voed­sel gemaakt voor een ander soort volk.
Zij komen vooral om te dineren in een sprook­je­sachtige omgev­ing met bij­zon­dere gerechten.
Miss­chien zou het een mooi eerbe­toon zijn aan de illus­tere voor­ganger van “De Walvis” om nog eens iets met gort te serveren.
Ik geef hier­voor alvast een recept, niet alleen voor de fijn­proever, maar ook voor de gewone man.
• Gort met kaas, uien en tomaten.
350 gram vlugko­k­ende gort
2 bouil­lon­blok­jes
200 gram uien
350 gram ontvelde tomaten
25 gram boter
100 gram kaas
• zout en peper
• peterselie
Kook de gort in ruim water met de bouil­lon­blok­jes, snip­per de uien en snijd de tomaten in plak­jes. Laat de uien en tomaten bakken en fruiten in de boter en maak het op smaak met zout en peper. Snij de kaas in kleine blok­jes en voeg ze toe aan de uien en tomaten. Is de gort droog en gaar serveer hem op een warme scho­tel aan de rand en voeg de uien, tomaten en warme kaas toe in het mid­den. Bestrooi het aan de rand met verse peterselie.
Eet smake­lijk.

Tekst en foto’s Sjors van Leeuwen.
Met dank aan Fulco Rol, De Zaan­sche Molen.

Joomla tem­plates by a4joomla