Panorama zaandam by Tilemahos Efthimiadis

12afb1 12afb2

Links: Oliemolen „De Haan” rechts en links „De Grootvorst in betere tij­den.
Rechts: Dezelfde posi­tie als foto 1 maar dan met het landje „De Haan” met daarop het cacao­lab en „De Poe­len­burg”. Rechts verf­molen „De Kat”.
De molen was al vroeg in bedrijf en duikt op in de annalen van 17 augus­tus 1630. Hier verk­laard: „Heert­gen Pietersz. van Ghisp ten ver­zoeke van Claes Cor­nelisz., woonde op Saendi­jck, dat hij, Getuyge, scharp ander­halff jaer tijts op des requirants oly­molen, staende opt Calff, in den ban van Oost­za­nen, genaemt den Haen, gel­sagen ende gear­beijt heeft. Het block vande selve moolen (was) gan­sch nijet beqaem om te gebrui­jcken, het was zeer leck, ter­wijl de prin­ci­pael­ste heije (de hei), daer de koecken mede wor­den ges­la­gen van twee stucken sta­men gelast was”. Vrij ver­taald: het oliew­erk was een rot­zooitje met een kapotte hei en een lek blok (foto 3). De molen was lang in het bezit van Jacob van der Ley. Later kwam hij in han­den van de firma Kluys & van Els­land. De beroemde olies­lagers­fam­i­lie Claes en Cor­nelis Honig waren het die met de aankoop van „De Haan” hun bezit brachten op het machtige getal van 21 oliemolens.
De lat­ere telg uit het ges­lacht Honig; Jacobus Czn. was de laat­ste die olie liet vloeien uit de laad van de oude „Haan”.
12afb3
Doorsnede van een deel van het oliew­erk, links het blok met de slag­pers, rechts de stampers.

12afb4„De Haan” vanaf de Zaan gezien, de molen staat mooigezet. Rechts het gat in het rietdek.

Vlak daar­voor had de molen nog ver­sierd ges­taan met het zoge­naamde mooimak­ers­goed dat gebruikt werd voor het huwelijk van de eige­naar of diens zoon of dochter. Op deze opname is ook te zien dat de molen een groot veld riet miste op het zuid­westen van het achtkant. Dit veld was met grote planken snel dicht­ge­maakt om verdere uit­val te voorkomen.
Riet­dekken van molens is spe­cial­is­tisch werk en veel lastiger dan boerder­i­jen of woon­huizen. Dit komt met name door de zeer steile helling en ook de vele scherpe hoeken. Het riet hier­voor kwam vroeger vooral uit Over­i­js­sel, met name uit het plaat­sje Kalen­berg. Tegen­wo­ordig wordt bijna al het dekriet aangevo­erd uit Polen en Hon­gar­ije, met name door de lage kost­prijs. Overi­gens kost het dekken van een vierkante meter op een molen al snel rond de 200 euro. Plaat­sen waar men heel korte stuk­jes riet vast moest zetten, zoals onder de kistra­men in het lijf, wer­den vroeger met verse koeien­stront geplakt, tegen­wo­ordig gebruikt men Bison­tix hiervoor.

12afb5Rechts: Riet­dekkers aan het werk op de kap van een molen.
In 1903 werd „De Haan” aangekocht door de firma Gebroed­ers Groot. Deze lieten in feb­ru­ari het achtkant slopen en de molen werd verkocht en her­bouwd als meel­molen in De Horst, een dor­pje ten oosten van Groes­beek. Alleen zijn roe­den (wieken) gin­gen niet mee, zij ver­huis­den naar oliemolen „Het Pink” te Koog aan de Zaan.
In Gelder­land ging hij hier verder onder de naam „De Korenbloem”.
Na 1930 werd hij ont­takeld waarna een motor zorgde voor aan­dri­jv­ing van het binnenwerk.
In 1944 werd het restant ver­woest bij hevige gevechten in dit deel van het land.
12afb7 12afb6

Links: Koog aan de Zaan pel­molen „De Mats­man” in 1902 ver­brand door blikseminslag.
Rechts: Het slopen van „De Haan” in feb­ru­ari 1903, links „De Grootvorst”
Zoals ver­meld kochten de gebroed­ers Groot de voor­ma­lige oliemolen „De Haan ” aan de Kalver­ringdijk te Zaan­dam en zetten hun bedrijf voort op deze nieuwe plek als fab­riek „De Haan”.
Hier werd de onder­bouw en de schuur van de molen getrans­formeerd tot een fab­riek met als zwaartepunt de pro­duc­tie van hout­meel. Het is opmerke­lijk dat er ook andere molens waren die op de pro­duc­tie van hout­meel over­schakelden. De groot­ste pel­molen van de Zaanstreek „De Jonge Prinses” van de firma Wakker werd ook omge­bouwd voor dit doel. In West­zaan was de pel­molen „Het Prin­sen­hof” actief, met als eige­naars de gebroed­ers De Vries. Daar bleef het prob­leem dat de LUM (linoleum fab­riek) het te malen hout­meel steeds fijner wilde. Zij durf­den dit niet aan van­wege de brand­vei­ligheid. Hout­meel kan als het boven de 85% stof komt spon­taan exploderen en bran­den.
Deze molens waren dan ook zeer moeil­ijk te verzek­eren tegen brand. „De Haan” had bijvoor­beeld vele buiten­landse polis­sen om vol­doende dekking te kri­j­gen, in Ned­er­land durf­den de verzek­er­aars het niet alleen aan.
De fam­i­lie Groot was zeer gelovig en lid­maat van de Gere­formeerde kerk. De eerste gere­formeerde kerk te Zaandijk was een oude smed­erij op het Guis­pad, die met aan­passin­gen, zoals een galerij, tot kerk werd verbouwd.
Er was eerst nog twi­jfel of men dit wel finan­cieel zou kun­nen bol­w­erken. Het antwo­ord van de broed­ers en zusters was: „Ja, wij nemen het voor onze reken­ing, niet in eigen kracht, maar in des Heeren, het is Zijn zaak”. Het orgel zat boven de deur en als de organ­ist hier moest spe­len dan zorgde de koster voor een houten lad­der die wegge­haald werd als het spel begon en weer her­plaatst moest wor­den als het gezang klaar was. Het pand bestaat nog steeds, het was vroeger een garage en nu de winkel van Malle Miek.
12afb8 12afb9
Links: Interieur van de eerste Gere­formeerde kerk te Zaandijk.
Rechts: De eerste Gere­formeerde kerk te Zaandijk nu winkel Male Miek te Zaandijk aan de Guisweg.
De kerke­lijke gezind­heid was zo innig dat Jan Groot (18691945) een deel van zijn kap­i­taal in de vorm van geld en een hypotheek op de pel­molen „De Mats­man” nam om een nieuwe kerk op de Park­laan te Zaandijk te kun­nen laten bouwen. Toen deze molen afbrandde voltrok zich ook de nood­lot­tige sit­u­atie dat het onder­pand voor de hypotheek van de kerk wegviel. Om de restschuld te kun­nen vol­doen hebben de drie zoons: Jan, Dirk en Cor het bedrijf voort­gezet op het ter­rein van „De Haan”. Dit was een erezaak voor deze gere­formeerde broers.
Dirk (05021904) trouwde later met de dochter Cor­nelia Agatha (Nel) van Delft van de koek­fab­riek te Zaandijk. In de tweede werel­door­log hielp hij in dit bedrijf mee om kan­tkoek te maken en deelde dat ook met de twee joodse onder­duik­ers die hij in huis had. Nel was de eerste vrouwelijke ver­slaggeef­ster van „De Zaan­lan­der”, daar­naast ook Akela bij de pad­vin­derij en ze won een water­polo wed­strijd op zondag het­geen een rel opleverde in de Gere­formeerde gemeente. Kor­tom een vrouw haar tijd ver vooruit!
12afb10
Kun­st­molen­ste­nen van cement met als sli­jt­laag Amaril
Jan, Dirk en Cor pro­duceer­den in de „De Haan” vooral met platte ste­nen. Soort­gelijke ste­nen waren vooral in gebruik bij de meel­molens. Dit waren 4 stel kun­st­ste­nen die als sli­jt­laag Amaril bevat­ten. Amaril (Corun­dum) is na dia­mant de hard­ste steen­soort op aarde. Het is afkom­stig van het Griekse eiland Naxos. Vroeger werd het in de Zaanstreek o.a. fijnge­stampt in verf­molen „De Duin­jager”, later in de stoom­fab­riek „De Vooruit­gang” van dezelfde eige­naar Hyme Vis en Zn. Zij verkochten het meestal aan Rem­scheid en Solin­gen in Duit­s­land om er zagen, messen en scharen mee te sli­jpen. Tegen­wo­ordig zien we Amaril veel als anti­s­li­plaag op brugdekken terug als fijnko­r­re­lige gri­jze onder­grond.
De platte ste­nen in „De Haan” wer­den aange­dreven via elek­tro­mo­toren, daar­toe was er naast de fab­riek een PEN huisje op de Kalver­ringdijk gebouwd. De uit cement gegoten ste­nen moesten na ver­loop van tijd wor­den opge­hakt om ze weer te scher­pen (het zoge­naamde „billen”). Hier­toe kwa­men er vak­lui uit Bel­gië die dan ingek­wartierd wer­den in „De Waakza­amheid” te Koog aan de Zaan. Zij waren dan drie volle dagen aan het hakken om de ste­nen weer scherp te maken.

12afb11De win­plaats van het zeer harde Amaril op het Griekse eiland Naxos.
Later werd de fab­riek uit­gerust met hamer­molens, zodat het hak­w­erk verviel. Dirk was een harde werker die bij vorst door tim­mer­lui houten sle­den liet maken die vanaf een strandje bij de Julianabrug het zaagsel over het ijs naar de fab­riek ver­vo­er­den. Tussen de mid­dag liep hij naar zijn huis te Zaandijk waar hij dan warm ging eten. Zijn bord stond al klaar en hij lep­elde het zo snel hij kon naar bin­nen. Daarna viel hij vaak even in slaap en dan weer hup naar de fab­riek alwaar hij zelf ook vaak mee­hielp met sjouww­erk. Het ver­malen van krullen van de houtza­ger­i­jen was een pre­cies werkje. Allereerst moest het gelijk­matig van krul en mengsel zijn. Door het brandgevaar vereiste het een opslag in silo’s die van boven met koolzuur gevuld waren. Ook werd er met water­damp of met water­ver­s­tu­iv­ing gew­erkt. In „De Haan” zaten grote zware brand­deuren van de firma Gorter uit Wormerveer die door machine­fab­riek Stam gemon­teerd waren. Het eind­prod­uct, het zeer fijne hout­meel werd gebruikt door o.a. de LUM in Krom­me­nie, maar ook bij de bake­liet fab­ricage, als springstof in mij­nen en voor het poli­jsten van metaal. De leuk­ste toepass­ing was: voor het vullen van stof­fen pop­pen en beren in de speelgoedindustrie.
12afb12
Een hamer­molen, de ver­vanger van de molen­ste­nen.
12afb13Con­tract van Fred­eric Wal­ton met Kaars Sijpestein voor de pro­duc­tie van linoleum.
Zoals ver­meld ging de bulk naar de LUM in Krom­me­nie met vrachtschepen van de firma Koole. Linoleum is een sli­jt­vaste vlo­erbe­dekking.
Bijna alle ingrediën­ten zijn natu­urlijk: lijno­lie, kurk, hout­meel, hars en jutte. Het patent op het maken ervan is in 1860 door de Schot Fred­eric Wal­ton aangevraagd. Hij probeerde eerst lijno­lie op metaal te dro­gen en het er daarna weer af te schrapen. Na veel exper­i­menteren met onder andere rub­ber ontwikkelde hij een bruik­baar pro­cedé door mid­del van lijno­lie, kurk en gom­men en maakte er een vlo­erbe­dekking mee. Hij verkocht licen­ties aan Amerika, Duit­s­land en ook Bel­gië. In 1898 tek­ende de Zaanse zeil­doek­w­ever en oliepro­du­cent P.H. Kaars Sijpestein een con­tract voor het ver­vaardi­gen van linoleum te Krommenie.
12afb14Een deel van het pro­duc­tie schema zoals getoond in een reclame van Forbo uit 1956.
De gebroed­ers Groot pro­duceer­den veel voor de LUM, maar de ont­ploff­ing in 1928 blijkt een keer­punt, daarna kwam de bulk vooral bij Wakker te Wormer van­daan. Als er geen hout­meel was werd er soms droge corned­beef gemalen met de hamer­molen.
Deze voorge­noemde ont­ploff­ing maakte een einde aan de oude onder­bouw en schuur van „De Haan” en ook aan de eerder ver­melde pel­molen „De Grootvorst”.
De hevige brand en de moeil­ijk bereik­bare locatie zorgden ervoor dat er weinig over bleef van het opstal. Gelukkig waren er geen slachtof­fers bij betrokken.
Daar­voor was de brandweer ook al uit­gerukt in 11 april 1915, en 7 en 8 juli 1919, het was dus niet voor het eerst maar ook niet voor het laatst!
Bij de her­bouw van de nieuwe fab­riek was het afs­luiten van een brand­verzek­er­ing buitenge­woon moeizaam. Een deel van de ste­nen fab­riek werd gebruikt bij de herbouw.

12afb15De nood­lot­tige brand van „De Haan” en „De Grootvorst” in 1928.
Op 5 juni 1934 ging het weer mis maar nu serieuzer. In de vroege mor­gen rond half vijf plofte het gebouw met grof geweld uit elkaar, delen van de machines en de exhauster (afzuiger) beland­den in het wei­land rond de fab­riek. De Kalver­ringdijk was maar 1 meter breed dus moesten de spuiten wederom met dekschuiten aangevo­erd wor­den, dit resul­teerde in veer­tien stralen water. De autospuit bleef op de steiger te Zaandijk staan en er werd 250 meter slang door de Zaan gelegd.
In het gebouw waren toen werkzaam Jan Schleeper, Klaas Knaap, Dirk Slop en Piet Hille.
Klaas Knaap had het geluk dat hij achter de brand­deur stond, Dirk Slop niet, die werd naar buiten ges­lingerd samen met Piet Hille die in de sloot naast de dijk dook.
Klaas Knaap die niet gewond was bracht de twee gewon­den met een roeis­chuitje over de Zaan naar Zaandijk, naar Dr. van der Horst die eerste hulp ver­leende aan de man­nen. Dirk over­leefde de brand­won­den niet, Piet wel, maar hij moest zijn verdere leven naar het zieken­huis om zijn ver­brande neus en oren te laten behan­de­len. Voor Piet was het wel heel tri­est, hij werkte nog niets eens een hele dag op de fab­riek na zijn ontslag bij Wes­sa­nen door de grote cri­sis van 1930. Overi­gens wel bij­zon­der is dat Klaas Knaap later mole­naar gewor­den is van papier­molen „De Schoolmeester” in West­zaan en Piet Hille zijn hele leven lang een grote passie voor molens bleef houden. Voor de blussers bleef het een hache­lijke onderne­m­ing, want muren vie­len om en de melange van hout­meel en cacaoaf­val brandde als een fakkel. Toen­ter­tijd was de meeste grond­stof bedoeld voor export naar Amerika.

12afb16De ont­plofte fab­riek „De Haan” in 1934.
Maar weer ver­rees uit de restanten een nieuwe fab­riek van vier verdiepin­gen, de veerkracht was blijk­baar enorm. Alleen het verzek­eren werd steeds ingewikkelder, er moest veel wor­den onderverzek­erd om nog enige dekking te verkri­j­gen.
Een bij­zon­dere peri­ode brak ook aan met het uit­breken van de tweede werel­door­log. Door teruglopende werkza­amhe­den werd op het fab­riek­ster­rein een groen­te­tuin aan­gelegd en er wer­den 10 koni­j­nen gehouden voor de slacht. Rond kerst kwam er weken­lang niets anders op tafel.
Ook vorder­den de Duit­sers voer­tu­igen zoals auto’s. Enkele nota­be­len uit Zaandijk lieten hun dure auto verd­wi­j­nen door ze per schuit naar „De Haan” te ver­vo­eren en ze daar onder een dikke laag zaagsel te ver­ber­gen. Toen deze na de oor­log terug gin­gen naar hun recht­matige eigenaren kon er geen enkel bedankje af jegens de Gebroed­ers Groot van­wege hun groot­moedige gebaar.
12afb17Het beroemde tien­tje van Lieft­inck uit 1945.
Na de bevri­jd­ing was er nog het prob­leem van het zwarte geld wat veel mensen ver­di­end had­den door b.v. woeker– of ille­gale han­del. Min­is­ter Piet Lieft­inck zorgde er op 26 sep­tem­ber 1945 voor dat alle Ned­er­lan­ders een nieuw bil­jet van 10 gulden kre­gen om van te leven. Het werd de week van de grote geldzuiv­er­ing. Alle geld, munten en bil­jet­ten wer­den in een klap ongeldig verk­laard en alle bank­te­goe­den wer­den bevroren! Men kreeg slechts toe­gang als men bewees dat het saldo op recht­matige wijze was verkre­gen.
Al het ont­waarde geld werd met dekschuiten voorzien van bewapende poli­tie naar „De Haan” ver­vo­erd en daar met hamer­molens fijn gemalen. Dit was het meest vreemde prod­uct ooit door de fab­riek verwerkt!

12afb18De pas her­bouwde specer­i­j­molen „De Huis­man” met rechts op de achter­grond „De Haan”.
Links de onder­bouw van oliemolen „De Kat”, rechts het PEN huisje.
Later kwa­men er de plan­nen om De Zaanse Schans te gaan bouwen. Toen het eerste huis van de fam. Wit­lox (later fam. Bosman) was gebouwd en de specer­i­j­molen „De Huis­man” er al stond, was er nog steeds de grote fab­riek van „De Haan” die niet meer paste in het plaatje.
Wethouder Dirk Met­se­laar ging in gesprek en na veel onder­han­delin­gen vertrok de fab­riek naar de Ger­rit Bolkade alwaar de pro­duc­tie maar zeer kort draaide en kort daarna sloot.
Op hun oude dag kwa­men de voor­ma­lige con­cur­renten in het hout­meel­malen nog naast elkaar te wonen op de Lagedijk te Zaandijk. Wakker en Groot wer­den nog dikke vrien­den die samen vaak genoten van een bor­rel en een lekkere sigaar erbij!
Op de plaats waar ooit „De Haan” stond maakt De Zaan­sche Molen nu een plan om er de molen „Het Rad van Avon­tuur” te her­bouwen. Hier moet in de verre toekomst een oliemolen ver­ri­jzen die laat zien hoe men vroeger cacaoaf­val liet persen. Zo is de kringloop weer rond, er was ooit een molen en er komt weer een molen!
Joomla tem­plates by a4joomla